Uit de literatuur

Onderwijs draagt bij aan de intellectuele ontwikkeling van jongeren, brengt maatschappelijke en culturele waarden over en stoomt jongeren klaar om in de samenleving en op de arbeidsmarkt hun draai te vinden. De resultaten van de onderwijsbarometer van Unia (2018) zijn echter verontrustend. Zo blijkt de kwaliteit van het Vlaams onderwijs internationaal aan de top te staan, maar staat het onderaan de lijst van onderwijsgelijkheid in de OESO-landen.

 

De kansen binnen het onderwijs zijn totaal ongelijk verdeeld. Leerlingen uit kansengroepen blijven vaker zitten, zijn minder aanwezig in hooggewaardeerde onderwijsvormen, stromen vaker uit zonder diploma en vatten minder vaak een studie in het hoger onderwijs aan. Dit bewijzen onderstaande resultaten.

Vlaanderen heeft de grootste etnische kloof in het onderwijs in het Westen

 

(PISA 2015)

Kans op ongekwalificeerde uitstroom

Autochtoon

Noord-Afrikaan/ Turk

Nooit blijven zitten 0
Een keer blijven zitten 0
Meer dan een keer 0
Nooit blijven zitten 0
Een keer blijven zitten 0
Meer dan een keer 0

Leerlingen uit kansengroepen blijven vaker zitten

Bij de start van het secundair onderwijs, zit ongeveer 90% van de kinderen van Belgische herkomst op leeftijd. Bij leerlingen met een migratieachtergrond is dit slechts tussen de 71 à 73%. In de loop van het secundair onderwijs blijft ongeveer 38% van de jongens van Belgische herkomst en 24% van de meisjes minstens eenmaal zitten. Bij kinderen met een migratieachtergrond lopen deze percentages op tot respectievelijk 49 en 35%. Bovendien blijkt dat leerlingen met een migratieachtergrond ook vaker meermaals blijven zitten dan leerlingen van Belgische herkomst.

Leerlingen uit kansengroepen zijn minder aanwezig in hooggewaardeerde onderwijsvormen

Kinderen met een migratieachtergrond zitten disproportioneel vaker in de B-stroom. Kinderen van laaggeschoolde moeders of inactieve vaders, meertalige kinderen of kinderen met een niet-westerse nationaliteit worden vaker naar het 1ste leerjaar B georiënteerd, ook indien ze geen vertraging hebben opgelopen. Omgekeerd worden kinderen die vertraging hebben opgelopen opmerkelijk minder naar de B-klas georiënteerd indien ze hooggeschoolde moeders of actieve vaders hebben.

 

Terwijl minder dan 10% van de kinderen van Belgische herkomst in de B-stroom start, is dit bij kinderen met een migratieachtergrond bijna het dubbele. Waar de helft van de meisjes van Belgische herkomst in het laatste jaar middelbaar een ASO-richting volgt, is dit slechts het geval voor 3 op 10 Noord-Afrikaanse meisjes en slechts 16% voor Turkse meisjes jongens zien we een gelijkaardig verhaal. Zij doorlopen ook vaker het zogenaamde watervalsysteem, waarbij zij doorheen hun secundaire schoolloopbaan stelselmatig afzakken naar minder gewaardeerde richtingen.

De kans om in het buitengewoon onderwijs terecht te komen, is vijf tot zes maal hoger bij arme kinderen dan voor het gemiddelde Vlaamse kind. Kinderen uit arbeidersgezinnen maken dan ook ongeveer 77% uit van de populatie van het buitengewoon onderwijs.

Het aantal jongeren dat blijft zitten in Vlaanderen, is het dubbele van het internationaal gemiddelde

 

– Itinera institute

39% van de 15-jarige allochtonen bezit niet het minimum niveau 2 om te functioneren op de arbeidsmarkt

 

(2015 PISA)

Leerlingen uit kansengroepen stromen vaker uit zonder diploma

13% van jongens van Belgische herkomst stroomt uit zonder een diploma. Bij jongens van Turkse en Noord-Afrikaanse origine is dit 45%, bij die van Zuid-Europese afkomst rond de 33%. Bij meisjes zijn de verschillen nog opvallender. Daar stroomt ongeveer 7% van meisjes van Belgische herkomst uit zonder diploma, waar dit bij meisjes van Turkse en Noord-Afrikaanse origine bijna 6 keer zo hoog ligt (respectievelijk 43 en 41%).

 

De oorzaak hiervan is complex: SES, segregatie & concentratiescholen, Golem-effect, vroege oriëntering, leerkrachten hanteren verschillende oriënteringscriteria, gebrek competenties van leerkrachten om met diversiteit in de klas om te gaan, slechte informatiestroom naar ouders en jongeren,..

 

De studiekeuze bij de overgang naar het secundair onderwijs is cruciaal. Kinderen uit lagere socio-economische klassen kiezen disproportioneel voor ‘lagere’ studierichtingen en zijn hiermee voorbestemd om in technische of beroepsrichtingen te blijven. In Vlaanderen krijgen leerlingen en hun ouders doorgaans een niet-bindend advies van de leerkracht tijdens het laatste jaar basisonderwijs over welke studierichting ze best kunnen volgen. Toch is dit voor veel ouders van kansenjongeren een van de enige richtsnoeren waarop zij zich kunnen beroepen om een gefundeerde keuze te maken. De adviezen van leerkrachten worden echter niet louter bepaald door de prestaties van leerlingen. Talenten, interesses en prestaties zijn belangrijk in het adviseren van leerlingen. Vijftien procent geeft echter expliciet aan dat ook de sociale achtergrond van leerlingen een belangrijk kenmerk is dat in rekening moet worden genomen. Verder gaf bijna drie kwart van de leerkrachten aan dat gedrag van leerlingen belangrijk tot doorslaggevend was in het advies, zoals het feit of leerlingen in staat zijn zelfstandig te werken, te plannen en of ze punctueel zijn met het afwerken van huiswerk. Dergelijke kenmerken zijn echter meer typisch voor de middenklasse, gezien de ouders vaker jobs uitoefenen waarin ze meer autonomie aan de dag leggen en die een zekere onvoorspelbaarheid inhouden. Door de nadruk te leggen op kwaliteiten die ongelijk verdeeld zijn over leerlingen van verschillende sociale klassen, worden leerlingen uit lagere sociale klassen benadeeld. Verder slagen kansarme ouders en etnische minderheden er minder vaak in hun eerste schoolkeuze te realiseren en ervaren vaker een weigering of doorverwijzing. Bovendien zijn deze ouders minder geneigd om een ongegronde weigering aan te vechten.

 

PEP! is een organisatie die ontstaan is met het doel om de kloof in het onderwijs te verkleinen. PEP! vertrekt van bevindingen uit bestaande onderzoeken die herkenbaar zijn vanuit persoonlijke ervaringen.